Cyrillus van Jeruzalem: ‘city promotion’ door een bisschop

Cyrillus van Jeruzalem op een fresco van een oosters-orthodoxe kerk. Bron Wikimedia

Cyrillus van Jeruzalem op een fresco van een oosters-orthodoxe kerk. Bron Wikimedia

Jeruzalem was aan het begin van de vierde eeuw een onbeduidende provincieplaats in het Romeinse Rijk. Zijn Joodse grootsheid had het met de verwoesting van de Joodse tempel in 70 en na de Bar Kochba opstand (132-135) definitief verloren. In 135 herstichtte keizer Hadrianus de stad als Aelia Capitolina; de naam verwijst naar één van de namen van de keizer en naar Jupiter Capitolinus, de Romeinse oppergod. Jeruzalem is duidelijk pagaan van karakter in de tweede en derde eeuw: het had culten en heiligdommen voor een verscheidenheid aan goden en godinnen: Jupiter, Aphrodite, Serapis, Dionysus, Mars, Tychè en andere. De oorspronkelijk Joodse bevolking was door Hadrianus vervanging door immigranten uit Syrië en andere nabijgelegen gebieden. Die bevolking was wat omvang betreft aanzienlijk geslonken in vergelijking met die tijdens de Joodse periode van de stad; men schat dat in de tweede en derde eeuw Aelia niet meer dan 15.000 inwoners had. Het leven in Aelia werd sociaal, religieus en economisch sterk beïnvloed door de aanwezigheid van een onderdeel van het 10de Romeinse legioen (Legio X Fretensis). Het vertrek van dit onderdeel aan het einde van de derde eeuw naar Eilat aan de Rode Zee moet een forse aderlating voor de stad zijn geweest qua bevolkingsaantal en economische welvaart.

De christelijke gemeente van het pagane Aelia is in deze eeuwen klein geweest. Echter, in de derde eeuw schijnt deze gemeente krachtiger te zijn geworden in termen van organisatie en zelfvertrouwen. De compositie aan het einde van de derde eeuw van een bisschopslijst die teruggaat tot Jacobus, de eerste bisschop en broer van Jezus, duiden op een groeiend bewustzijn onder Aelia’s christenen van het belang van hun stad in de geschiedenis van het christendom.

In de vierde eeuw zou het religieuze karakter van Aelia opnieuw drastisch veranderen. Tempels maakten nu plaats voor kerken en van een pagane stad werd Aelia geleidelijk aan een christelijke stad, het ‘Nieuwe Jeruzalem’, zoals Eusebius het noemt. Degene aan wie deze verandering in eerste instantie valt toe te schrijven is keizer Constantijn de Grote (306-337). Vanaf 325 voerde hij een beleid dat van Palestina het christelijke Heilige Land moest maken. De aandacht was daarbij vooral gericht op de heilige plaatsen, plaatsen die een rol hadden gespeeld in leven en lijden van Jezus. Door Constantijn werden o.a. kerken gebouwd in Bethlehem en Jeruzalem. Van deze kerken was de zg. Heilige Grafkerk op de vermoede plaats van kruisiging en graf van Christus ongetwijfeld de belangrijkste. Met dit beleid van Constantijn deed een nieuw fenomeen zijn intrede in het christelijke geloof, nl. de sacralisatie van plaatsen. Tot dan toe was het idee dat God overal geëerd kon worden, maar nu ging de notie ontstaan van een gepriviligieerde heilige plek waar contact met God intenser zou zijn dan elders. Niet alleen Constantijn maar ook de bischoppen van Jeruzalem vestigden de aandacht op deze heilige plaatsen, vooral die in hun eigen bisdom. Er wordt aangenomen dat Macarius, bisschop van Jeruzalem (ca. 311-ca. 334), Constantijn op het Concilie van Nicea (325) heeft geïnformeerd over het bestaan van Golgotha en dat dat de keizer heeft gestimuleerd tot zijn beleid van kerkbouw in Palestina. Overigens op datzelfde concilie verkreeg de bisschop van Jeruzalem vanwege de christelijke traditie van zijn stad een vooraanstaande positie op algemene concilies samen met Rome, Antiochië en Alexandrië. In de eigen kerkprovincie bleef de bisschop van Jeruzalem overigens ondergeschikt aan de metropolitane bisschop in Caesarea, wat een bron van spanning conflict zou blijken te zijn. Deze spanning werd nog versterkt door het feit dat de bisschoppen van Caesarea in de christologische discussie ariaansgezind waren, terwijl de bisschoppen van Jeruzalem aanhangers waren van de orthodoxe leer.

Deze conflictueuze situatie tussen beide bisdommen deed zich al gevoelen onder Macarius en Eusebius, de beroemde kerkhistoricus en bisschop van Caesarea, en zou bepalend blijven voor de wederzijdse verhoudingen in de vierde eeuw en de eerste helft van de vijfde eeuw. De bisschoppen van Jeruzalem bleven het bijbelse verleden en de aanwezigheid van vele heilige plaatsen in hun bisdom benadrukken. De bisschop die dat in het bijzonder deed was Cyrillus. Hij heeft gedurende zijn gehele episcopaat gestreefd naar een prominente positie voor “zijn” Jeruzalem in de eigen kerkprovincie en daarbuiten.

Cyrillus

Cyrillus behoort niet tot de eredivisie van de kerkvaders. Hij was geen groot theoloog; er zijn geen theologische of exegetische geschriften van zijn hand overgeleverd en het is de vraag of dergelijke werken ooit heeft geschreven. Zijn talenten lagen meer op het organisatorische vlak. Cyrillus werd bisschop in 350 en bleef dat tot aan zijn dood in 387. Over zijn achergrond is weinig bekend. Hij is geboren rond het jaar 315, wellicht in Jeruzalem. Zijn retorische kwaliteiten duiden erop dat hij een degelijke opleiding heeft gehad in het toenmalige klassieke curriculum. Zoals vele bisschoppen van zijn tijd, heeft hij waarschijnlijk behoord tot de klasse van de stedelijke elite. Hij werd waarschijnlijk deken van de kerk in Jeruzalem in de eerste helft van de jaren 330 en ca. 343 is hij tot priester gewijd door zijn voorganger Maximus. Voor zijn verkiezing tot bisschop had Cyrillus de steun van Acacius, de Ariaanse metropoliet te Caesarea, en andere ariaansgezinde bisschoppen in Palestina, wat de vraag oproept in hoeverre Cyrillus zelf sympathieën had voor de christologische ideeën van Arius. Overigens blijkt het niet uit zijn geschriften dat hij een voorkeur voor het Arianisme had. Tot die geschriften behoorden onder andere een brief uit 351 aan keizer Constantius II over een kruisverschijning in de hemel boven Jeruzalem en zijn beroemde Catechesen, de enige volledig set van doopinstructies die we hebben overgeleverd uit de vroegchristelijke kerk. Voorts worden de zg. Mystagogische Catechesen aan hem toegeschreven; de kern van deze instructies over de Mysterieën gaat waarschijnlijk inderdaad terug op aantekeningen van Cyrillus, maar de teksten zelf zijn wellicht van de hand van zijn opvolger Johannes.

Personalia

Dr. J.W. Drijvers doceert sinds 1983 Oude Geschie- denis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij promoveerde in 1989 op een proefschrift getiteld Helena Augusta: Waarheid en Legende. In 2000 en 2001 was hij Josephus Daniels Fellow aan het National Humanities Center, Research Triangle Park, North Carolina, USA.

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 15 (2004) No 2