Constantijn Huygens: Lezing tijdens oprichtingscongres VCH (23-09-1990)

Huygens omspande met zijn leven een gehele eeuw. Geboren in 1596 maakte hij een groot gedeelte van de Tachtigjarige Oorlog mee. Overleden in 1687 had hij meegemaakt hoe Spanje als vijand werd ingewisseld voor Engeland en Frankrijk. In zijn geboortejaar was het grondgebied van de Republiek beperkt tot Holland, Zeeland en een paar randgewesten. In het jaar van zijn overlijden was de Republiek een grote mogendheid geworden, bezat het land een reeks koloniën en stond Willem III op het punt aan zijn stadhouderschap het Engelse koningschap toe te voegen.

Constantijn Huygens, geschilderd door Jan Lievens. Bron Wikimedia

Constantijn Huygens, geschilderd door Jan Lievens. Bron Wikimedia

Huygens in zijn tijd

Huygens heeft de groten van zijn eeuw meegemaakt: Van Aerssen van Sommelsdijck, de diplomaat, Frederik Hendrik, de Stedendwinger, Willem II, de jager, Johan de Witt, de staatsman, Amalia van Solms, de heerszuchtige, Michiel de Ruyter, schipper naast God, Willem III, de wilskrachtige. Ook een hele reeks mindere goden zouden te noemen zijn. Zonder twijfel zijn de jaren met en onder Frederik Hendrik de meest gelukkige geweest uit het leven van Huygens. Hij bewonderde deze stadhouder en omgekeerd toonde de Oranjeprins menigmaal zijn waardering voor deze trouwe en arbeidzame secretaris. De liefde voor het Oranjehuis vormt een rode draad in het leven van Huygens. In die liefde komt een edele karaktertrek naar voren: trouw. Trouw bleef Huygens, ook in de moeilijke jaren van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk, hoewel hij onheus behandeld werd door Amalia van Solms. In die jaren ontpopte Huygens zich zelfs als een verdienstelijk diplomaat, en wist hij dank zij zijn goede contacten met Franse kringen het prinsdom Orange, waaraan de Oranjes hun titel dankten, terug te krijgen. Dat Willem III zijn ‘Hausmacht’ betrekkelijk ongeschonden in bezit kon krijgen, heeft hij niet in de laatste plaats aan zijn secretaris te danken. Constantijn heeft zijn doopnaam eer aangedaan: volhardend en standvastig heeft hij zijn taak volbracht.

De belangstelling van Huygens bleef niet beperkt tot het politieke gebeuren. Groot is zijn interesse voor het culturele leven. Hij bezat een uitstekende kennis van de schilderkunst, schreef daar met gezag over en was beslist niet eenzijdig te noemen. Zijn waardering voor de barok-schilder Rubens kwam niet in mindering op zijn belangstelling voor Rembrandt. Hij wist deze zelfs enige opdrachten te verlenen. Het ging hier om twee tegengestelde stromingen in de kunst: Rubens verte- genwoordigt de Barok, de Kerk en het Hof. Rembrandt de burgerlijke kunst van de noordelijke Nederlanden.

Huygens was niet louter passief in zijn kunstzinnige belangstelling. Hij dichtte zelf bijzonder veel en heeft vele muziekwerken gecomponeerd, waarvan er helaas heel wat verloren zijn gegaan. Ook voor vraagstukken van theologische aard bezat hij belangstelling. Daarnaast treft ons zijn interesse voor de natuur- wetenschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Met vele natuurvorsers correspondeerde hij met grote kennis van zaken. Verschillende van hen hebben zich publiekelijk in lovende zin uitgelaten over de kennis van de secretaris. Een man als Descartes stelde het oordeel van Huygens op hoge prijs en liet hem zijn publicaties wel lezen voor ze naar de drukker werden gezonden.

Bij de schilderkunst zagen we dat Huygens, de cavalier, het talent van Rembrandt heeft onderkend. Een parallel is er inzake de natuurwetenschappen. Daar doorgrondde Huygens het talent van Jan Swammerdam (1637-1680), hoewel vele wetenschappers minachtend op Swammerdam neerkeken omdat het hem aan een academische opleiding had ontbroken. Huygens, die een sterk standsbesef bezat, hetgeen overigens kenmerkend voor zijn tijd was, was in staat in deze zaken alle standsverschillen te doorbreken en personen te waarderen op grond van hun kwaliteiten. Voor de filosofie van Descartes bezat hij de grootste belangstelling. Descartes zag hij als de man die de wetenschap zou reinigen van vooroordelen en fouten. In dit opzicht heeft Christiaan, de zoon van Constantijn, de voetsporen van zijn vader gedrukt. Zijn natuurwetenschappelijke aanleg had hij niet van een vreemde.

Theologische stellingname

In al deze zaken komt Huygens voor het voetlicht als een veelzijdig man. Hij is dan ook het produkt van een Renaissancistisch-humanistische opvoeding. Het ideaal van uomo universale, de gentilhomme, de honnête homme, de cavalier. De man die zijn wereld verstaat, zijn klassieken kent, geest en lichaam ontwikkelt, en beschikt over virtu en courteoisie. Zwierig, elegant en erudiet: dat moesten eigenschappen zijn voor een gentilhomme.

Het gezin waaruit Huygens voortkwam, behoorde tot de Gereformeerde Kerk. Maar uit deze opvoeding blijkt wel dat men in het gezin Huygens een brede blik bezat. Typerend voor een strak gereformeerde opvoeding waren immers wereldmijding, soberheid en een geringe culturele belangstelling. In het gezin Huygens ontvingen de kinderen zelfs dansles, omdat danslessen uitnemend geschikt waren om een goede lichaamshouding bij te brengen. Een berisping van de predikant Wernerus Helmichius legde vader Huygens laconiek naast zich neer.

Toch is deze brede opvoeding niet in mindering gekomen op de godsdienstige ontplooiing van Constantijn Huygens. Hij was in zijn religieuze belangstelling zeker een kind van zijn tijd. Maar zijn betrokkenheid op de kerk blijft niet beperkt tot de buitenkant. Wie kennis neemt van zijn geschriften wordt getroffen door de toon van oprechte vroomheid, het innige vertrouwen op God en de begeerte om de voetsporen van Christus te volgen.

Het humanisme heeft echter wel sporen nagelaten in het kerkelijk besef van Huygens. Dogmatische twisten lagen hem niet zo. Hij heeft de onenigheid tussen Gomarus en Arminius diepgaand bestudeerd, wat blijkt uit diverse aantekeningen van zijn hand. Uiterlijk bezien bleef hij ook bij de orthodoxie behoren. Maar toch zijn er geen duidelijke uitspraken tegen Arminius te vinden. Het lijkt er op of hij enige moeite had met de stugge Gomarus. Zijn vriendschap met Uytenbogaert bleef intact, diens preekstijl waardeerde hij zeer. Voor Huygens waren de Engelsman John Donne en Uytenbogaert de grote predikers van zijn tijd.

In dit alles blijkt hoe Huygens gericht is op verzoening, synthese en harmonie. Hij zocht niet het conflict, maar de vrede. Overigens mogen we ook de vraag stellen in hoeverre Huygens een andere richting had kunnen uitgaan, zo hij het gewild had. Zijn positie bond hem aan het Oranjehuis en dus aan de Gereformeerde Kerk. De politieke tweedracht, die uit de Bestandstwisten waren voortgekomen en het land aan de rand van de burgeroorlog hadden gebracht, zullen hem zeker verbijsterd hebben. Huygens was genoeg diplomaat om in zulke gevallen zijn eigen visie ondergeschikt te maken aan argumenten die in onze tijd al gauw voor pragmatisch en opportunistisch zouden doorgaan.

Een uitzondering moeten we maken voor zijn sympathie voor Descartes. De consequentie van diens filosofie was dat de rede tot norm werd voor de mens. Uiteindelijk was het gezag van de kerk en het gezag van de Heilige Schrift ondergeschikt aan die norm. Dat laatste was voor de Gereformeerden niet aanvaardbaar. Een man als Voetius heeft Descartes fel bestreden en met scherp inzicht er op gewezen dat de filosofie van Descartes ten principale neerkwam op vergoding van de rede. Wie Gereformeerd wilde zijn, moest onvoorwaardelijk kunnen buigen voor het gezag van God, zoals Hij zich openbaarde in de Schrift. Als die openbaring botste met de rede had de Schrift voorrang op de rede. Huygens heeft in die kritiek niet mee willen gaan. Onvoorwaardelijk en openlijk koos hij partij voor Descartes. Hij heeft beslist zijn nek voor de Franse filosoof uitgestoken. In felle kritiek striemde Huygens de kortzichtigheid en bekrompenheid van de Utrechtse theologen. Bij Frederik Hendrik fungeerde Huygens als voorspraak van Descartes, zodat hij een dreigende verbanning wist af te wenden.

Sociale positie

Vader Christiaan bekleedde een eervolle functie binnen het ambtelijk apparaat van de Raad van State. Daarvóór had hij met grote toewijding Willem van Oranje terzijde gestaan als diens secretaris. Moeder Suzanna stamde uit een rijke koopmansfamilie in Antwerpen. Het gezin moest vanwege het aanhangen van het protestantse geloof wegvluchten uit de Zuidelijk Nederlanden. Constantijn werd dus geboren in een gezin dat zich had doen kennen als ware patriotten en oprechte protestanten. Het bezit van moeder was grotendeels teloorgegaan. Rond 1620 behoren de ouders van Constantijn tot de gegoede burgerij en wonen zij op stand aan het Voorhout in Den Haag, maar ze zijn beslist niet te rekenen tot de rijke bovenlaag van de Republiek. Het huwelijk van Constantijn met Suzanna van Baerle in 1627 is in maatschappelijk opzicht dan ook zeer geslaagd te noemen.

Na 1627 stijgt Huygens snel op de sociale ladder. Uit zijn ambt van secretaris van Frederik Hendrik vloeien vele nevenvoordelen voort. Zijn vaste jaarinkomen van ƒ 500 was niet hoog, maar het lidmaatschap van de Domeinraad leverde al heel wat meer op, en zijn positie stelde hem in staat tot het leggen van waardevolle relaties. De prins verstrekte hem vele gunstbewijzen. De grond aan het Plein in Den Haag werd hem ten geschenke gegeven. Als het even kon probeerde hij bouwbenodigdheden gratis te krijgen. Huygens investeerde veel geld in grondaankopen. Hij kocht de heerlijkheid Zuilichem in de Bommelerwaard, die hij later uitbreidde met Monnickelant en Zeelhem. Hij bouwde een woning aan het Plein en later een buitenverblijf ‘Hofwijck’ in Voorburg. Dit alles moest dienen om hem de begeerde sociale status te verschaffen.

In de Republiek zijn in de 17de eeuw twee verschillende klassen in de hoogste kringen te onderscheiden. Die van de haute bourgeoisie, de regentenstand, die hun machtsbasis in de handel en in Amsterdam vonden, en die van de Haagse aristocratie, bestaande uit adellijke hovelingen, hoge ambtenaren en talrijke officieren en diplomaten. Huygens was een nieuwkomer in deze sociale laag, maar hij wilde er wel degelijk bij behoren. Daarom voerde Huygens een levensstijl die paste bij deze status. Bij de gekochte heerlijkheden behoorde het voeren van een wapen, het streven naar een ridderorde, het bouwen van een buitenverblijf, doorkneed zijn in de klassieke literatuur, zijn kinderen rechten laten studeren en een grand tour voor hen organiseren door Frankrijk en Italië. Allemaal zaken die we tegenkomen bij Huygens. Het ‘heerlijke bezit’ van Huygens was voor hem dus van essentiële betekenis, ook al ging het om betrekkelijk kleine gebieden, die buiten Holland vallen.

Zo klimt Huygens verder op de ladder. Na 1650 stokt zijn politieke carrière, samen met die van het Oranjehuis, maar zijn vermogen wast verder aan. Huygens gaat tot het patriciaat behoren. In alle Europese landen valt in de 17de eeuw een aristocratiseringstendens waar te nemen, ook in de burgerlijke Nederlandse Republiek.

Huwelijk en gezin

Wie zich bezighoudt met het leven van Huygens moet er oog voor hebben dat voor deze man niet alleen het materiële bezit van belang is geweest, maar dat huwelijk en gezin een zeer voorname plaats innamen in zijn waardensysteem. Constantijn is zelf opgegroeid in een harmonisch gezin. Zijn ouders gaven aan de kinderen liefde en zorg. Aan de vorming van hun kinderen besteedden ze de uiterste zorg, zoals we al zagen. Dit gezin heeft uitnemend gefunctioneerd als springplank voor een grootse maatschappelijke carrière. Een weloverwogen keuze van de huwelijkspartners was daarbij eveneens van groot belang. Die keuze werd niet uitsluitend bepaald door overwegingen van romantische aard, maar was mede een zaak van standsovereenkomst en status. Mede, want Constantijn heeft van zijn vrouw, Suzanna van Baerle, veel gehouden. Hier heeft het één het ander niet uitgesloten, maar aangevuld.

Suzanna van Baerle was de ‘Sterre’ van Huygens. In het gedicht ‘Daghwerck’ beschrijft hij zijn ideaal van een goed gezinsleven. Hoe de man bij zijn thuiskomst de zorgen van zijn werk van zich af kan zetten, hoe man en vrouw de beslommeringen van de afgelopen dag uitwisselen, hoe de man de zorgen van de vrouw kan delen, maar haar tactvol moet vermanen als zij zich muizenissen in het hoofd heeft gehaald. Hoe de man van zijn hart geen moordkuil hoeft te maken, maar vrijuit kan spreken. Staatsgeheimen zal Huygens niet vertellen aan zijn vrouw, maar hij is blij dat hij de gekunstelde hofstijl in zijn huis vaarwel kan zeggen en kan zeggen wat hij denkt. Van bezoeken en visites houdt Huygens niet. Liever dan de tijd te doden met beleefdheidsbezoeken, die toch in roddelen ontaarden, gaat hij met zijn vrouw uit wandelen of rijden in de omgeving.

Het is geen wonder dat Huygens zwaar getroffen is door het overlijden van zijn ‘Sterre’ na een huwelijk van tien jaren in 1637. Onmetelijk is zijn verdriet geweest. Vijf kinderen bleven achter. Aan hertrouwen heeft Huygens nooit willen denken, al had hij daar zeker de mogelijkheden voor. Maar hij heeft zijn kinderen, zijn boeken en zijn vrijheid de plaats van een tweede echtgenote in laten nemen.

Aan de opvoeding van zijn kinderen heeft Huygens op zijn beurt ook grote zorg besteed. Daarbij werd hij zwaar gehinderd door zijn werk dat een veelvuldige afwezigheid van huis bewerkstelligde. Jaarlijks was Huygens alleen voor de zomerveldtochten al vele maanden achtereen op reis. Maar hij hield nauwkeurig verslag van de ontwikkeling van zijn kinderen bij. Huygens heeft niet altijd plezier gehad van zijn kinderen. Zijn zoon Lodewijk werd aangeklaagd wegens corruptie. Zijn zoon Constantijn, die hem opvolgde als secretaris, miste de fameuze werkkracht van zijn vader en was een wat onbeduidend en klagerig man, die stadhouder Willem III nogal eens op de zenuwen heeft gewerkt. Christiaan, de natuurkundige, bleef vrijgezel en ontpopte zich tot de kluizenaar van ‘Hofwijck’.

Hoewel de kinderen en kleinkinderen ongetwijfeld van hun zorgzame vader en grootvader gehouden zullen hebben, toonden zij merkwaardig weinig piëteit voor het testament van Huygens na diens overlijden. Zij verwaarloosden ‘Hofwijck’, verkochten zijn rijke bibliotheek en plaatsten zelfs geen grafschrift op het kerkhof, terwijl daar in het testament uitdrukkelijk om gevraagd was.

Een christen-historicus en zijn ambacht

De organisatoren van deze dag hebben mij voor een moeilijk probleem gesteld. Immers, het is de bedoeling van deze dag dat wij nadenken over de vraag waaruit nu het christelijk bestanddeel bestaat van onze geschiedwetenschap. Een niet-christen heeft het gemakkelijker. Deze vorser wijst elke interpretatie af die ontleend is aan de metafysische wereld. Hij beschouwt dit zelfs als onwetenschappelijk.

Het christelijk gehalte van de christelijke geschiedwetenschap blijkt zeker niet uit de keuze van de onderwerpen. Dan zou je met Huygens gemakkelijk uit de voeten kunnen. Nee, elk onderwerp moet in principe zich lenen voor de christelijke geschiedwetenschap. Het christelijke gehalte is niet gelegen in de keuze van de onderwerpen, maar in de wijze waarop wij ons onderwerp behandelen.

Een christen zal zeker recht doen aan de materiële aspecten van zijn onderwerpen. Dat wil zeggen dat hij langs de weg van nauwgezette analyse van de feiten oorzaken en gevolgen van gebeurtenissen op het spoor zal proberen te komen. Een christen-historicus zal zich hoeden voor twee extremen: debunking van zijn personen of verheerlijking van hen.

Het gevaar van debunking is reëel. Zelf heb ik voor dit probleem gestaan toen ik mijn boek schreef over het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten. Ik vond notulen van een vergadering waar enkele voormannen van dit kerkverband aanwezig waren. Deze vergadering liep op een ruzie uit. Ik stond voor de vraag of ik moest publiceren of niet. Ik wil best bekennen dat enige sensatiezucht mij niet vreemd was en dat de aandrang om te publiceren sterk was. Maar welk doel was hiermee gediend? Liep ontmaskering hier niet uit op afbrekende kritiek? Anderzijds: de waarheid mocht toch geen geweld aangedaan worden. Er is een tussenweg: er was al zoveel materiaal opgenomen dat de lezer zich wel een beeld kon vormen van de moeilijkheden waar een jong kerkverband, als het ware uit de verstrooiing bijeengeraapt, voor geplaatst was. De lezer kon gevoeglijk concluderen dat menselijke emoties, strijd om macht en prestige ook in deze kring voorkwamen. Ik heb het weggelaten. Een historicus voelt in zo’n situatie ook de druk van de tijd. Huygens is qua onderwerp verder van ons weg in de tijd en dus minder gevoelig. Ik vind dat je ook met dit aspect rekening moet houden.

Geen debunking dus. Maar ook geen verheerlijking. Bij een man als Huygens zou dat weinig moeite kosten. Hij was een man met een aantrekkelijk karakter, met vele goede hoedanigheden. Een man die veel presteerde in zijn leven. Dat mag gerust genoemd worden. Maar een historicus moet ervoor waken dat hij onaangenaamheden niet wegmoffelt en zijn ‘held’ eerlijk afschildert. Zo was Constantijn lichtgeraakt als het om zijn eer ging. Dan kon hij ontvlammen en bitterscherp zijn. Huygens was erg gevoelig om (vermeend) onrecht dat hem zou zijn aangedaan.

Een christen-historicus onderscheidt zich naar mijn mening van alle andere historici doordat hij zicht heeft op de verwoestende inwerking van de zonde op aarde en mens en van de herstellende kracht van Gods genade in Jezus Christus. In dit verband is het terecht dat Berkhof heeft gesproken van Christus als het middelpunt van de geschiedenis. Huygens zag de werkelijkheid ook vanuit deze optiek. In één van zijn gedichten identificeert hij zichzelf met een hond en met de slang. Zo ziet hij zichzelf ook kruipend over de aarde gaan, levend in het slijk der zonden en niet bedenkend wat boven is. Die zondige natuur hebben alle mensen met elkaar gemeen. In Adam zijn immers alle mensen gevallen, waardoor de zonde is uitgebreid over het gehele menselijke geslacht en van generatie op generatie wordt voortgeplant. Daarom kon Huygens schrijven:

“Wij steken een voor een door een in all? schult.”

Juist door de kennis van die eigen ellende is er het besef te moeten leven van genade. Een zondaar kan alleen maar verschijnen voor God als hij gerechtvaardigd is door het geloof. De christen-historicus heeft dus een geheel eigen mens- en maatschappijvisie, die hem onderscheidt van de marxist, de humanist of de pragmaticus.

Een geheel eigen weg gaat de christen-historicus ook als hij zich bezighoudt met een verklaring van de historische verschijnselen. De niet-christen zal uitgaan van de aardse werkelijkheid zoals deze zich aan zijn waarneming voordoet. Een marxist zoekt zijn kracht in materiële factoren als stuwende factor in het historisch verloop. De humanist daarentegen stelt de drijfkracht van de zedelijk sterke mens centraal. Je hebt de pragmaticus, die gewoon nuchter het historisch bedrijf wil benaderen. Er is de determinist die meent dat al het gebeuren noodwendig moest uitlopen op de huidige toestand. Professor Geyl hechtte zeer aan het possibilisme, dat haaks op het determinisme staat. Het had ook heel anders kunnen lopen. Er is op elk moment een waaier aan mogelijkheden en de historicus moet zorgvuldig nagaan door welke krachten juist die weg werd ingegaan, waar het ook geheel anders had kunnen gaan. De determinist reduceert de historische werkelijkheid en heeft te weinig oog voor zaken die ook van belang zijn, maar niet meetellen omdat ze het vervolg van de geschiedenis niet hebben bepaald. De possibilist wil het brede spectrum tot zijn recht laten komen en aan de toevalsfactor recht doen.

De geschiedenis plaatst de beschouwer voor een raadsel. Waarom is het zó gelopen? De christen-historicus dient oog te hebben voor het feit van Gods voorzienigheid. Dan is er ook plaats voor de leer van de eschatologie: de historie zal eenmaal haar loop voleinden als dwars door het gericht heen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen worden aangericht. We kijken dus niet alleen terug naar het begin, de val van de mens in het paradijs, maar ook naar de toekomst: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde n? het Laatste Oordeel.

Voor Huygens gaat het hier niet om onbekende begrippen. Ook hij herleidt voortdurend, onder andere in zijn gedichten, het aardse gebeuren tot het raadsbesluit van God. Ook het leed dat de mens kan treffen, is te herleiden tot Gods predestinatie. Huygens maakt gebruik van bijbelse beelden van de pottenbakker en de vaten, de vader en het kind, God en de worm. In Jesaja 45 lezen we dat zowel het goede als het kwade ons uit dezelfde hand toekomen: “Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, de Heere, doe al deze dingen.”

Deze visie maakt dat de christen-historicus ook weg weet met het probleem van het kwaad en het menselijke lijden in deze wereld. Theodor Adorno, één van de voormannen van de neo-marxistische Frankfurter Schule, schreef dat dichten ná Auschwitz barbaars was. Met hem kunnen velen het voorkomen van rampen en het bestaan van God niet met elkaar rijmen. Alles verklaren kan een christen-historicus niet. Hij zal zijn grenzen in acht moeten nemen. Maar hij weet dat het leed een op de proef stellen is, dat het moet brengen tot de vraag: waartoe? Calvijn beziet het lijden vanuit een pedagogisch standpunt. Het is voor de christen een oefenen van zijn geloof. Comrie vergelijkt het effect van het lijden met kostelijke specerijen: hoe meer gebeukt, hoe meer geur ze geven.

Prof.dr. H. Bavinck schrijft in zijn Gereformeerde dogmatiek:

“De oorsprong van het kwaad is na die van het ‘zijn’ het grootste raadsel des levens en het zwaarste kruis van het verstand. De vraag, vanwaar het kwaad, heeft alle eeuwen de gedachten der mensen bezig gehouden en wacht nog tevergeefs op een antwoord, dat beter bevredigt dan dat der Heilige Schrift. Voorzover de filosofie in deze iets van betekenis leerde, is zij in haar geheel genomen een krachtig bewijs voor de waarheid der Heilige Schrift, dat deze wereld zonder een val niet is te verklaren.”

Huygens wist te berusten in het leed dat hem overkwam:

“Tis werelds werck, en wind; God leeft, en weet de reden, en d’uytkomst, en ’t gevolgh ten besten van die ’t lijdt.”

Jaargang 01 (1990) No 2