Conrad Busken Huet en Pieter Geyl: bestrijders van Willem Bilderdijk

Op 6 november 1999 organiseerde de VCH onder de titel ‘Bilderdijk in meervoud’ een symposium over de dichter en denker Willem Bilderdijk. Historicus Wim Berkelaar sprak bij die gelegenbeid over de harde kritiek die literair criticus Conrad Busken Huet in de negentiende eeuw en historicus Pieter Geyl in de twintigste eeuw op Bilderdijk en zijn bewonderaars hebben uitgeoefend. Hieronder volgt een ingekorte weergave van zijn lezing, waarin de vraag centraal staat wat hen bewoog zo heftig tegen Bilderdijk uit te varen en hoe redelijk bun pleidooi voor redelijkheid eigenlijk was. ‘Huet en Geyl beschikten over een eigenschap die zoveel grote critici eigen is: een rationalisme dat gepaard gaat met een nauwelijks te bedwingen heftigheid, een neiging zich uit te spreken, het soms zelfs uit te schreeuwen.’

‘Bijna grenzeloos ijdel, hartstogtelijk zonder teederheid, scherp maar grof, log en laborieus van humor, een onvermoeibaar versifex, een bezinger van het onbezingbare, onkiesch, smakeloos, duister, onnauwkeurig, breedsprakig.’

Zo omschreef Conrad Busken Huet de poëzie van Willem Bilderdijk in De Nederlandsche Spectator van 14 januari 1860. Het was de eerste van negen afleveringen waarin Huet op hardhandige wijze afrekende met Bilderdijk. De aanleiding van zijn aanval was de verschijning van het boek De mensch en de dichter Willem Bilderdijk van Isaäc Da Costa in 1859, de afsluiting en bekroning van het vijftien delen tellend verzameld werk van Bilderdijk. Dat in 1856 met de uitgave van het verzameld werk een begin werd gemaakt, lag voor de hand. Het was een jubileumjaar: 100 jaar daarvoor was de dichter geboren, 25 jaar daarvoor was hij gestorven. En toch was de Bilderdijkverering in 1856 al over zijn hoogtepunt heen, zo lijkt het.

In de Bilderdijk-receptie na 1830 lijkt een driedeling mogelijk: naast bewonderaar en monumentenbouwer Da Costa, waren er auteurs die weliswaar waardering voor de dichter koesterden, maar alras hun eigen weg zouden gaan, zoals R.C. Bakhuizen van den Brink en E.J. Potgieter, die in 1837 De Gids zouden oprichten. Bakhuizen van den Brink had Bilderdijk aanvankelijk op dezelfde hoogte gesteld als Goethe en Potgieter sprak zonder ironie over ‘vader Bilderdijk’. Nadien zouden Bakhuizen en Potgieter afstand van Bilderdijk nemen, zonder hem overigens te verguizen. Die rol was weggelegd voor Busken Huet, die de derde stroming in de Bilderdijk-receptie vertegenwoordigde, de man met de hamer die het standbeeld van Bilderdijk onherstelbaar trachtte te beschadigen.

Conrad Busken Huet

Toen Bakhuizen en Potgieter hun kritieken schreven, was Huet nog een schooljongen. Afkomstig uit een domineesgeslacht, trad Huet in de voetsporen van zijn voorvaderen en ging in de jaren veertig theologie studeren in Leiden. ‘In mijn studententijd was ik luidruchtig, vrolijk en ligtzinnig’, zou Huet later opmerken. En: ‘Ik erkende geen enkele meerderheid dan die van het genie’. Dat genie – dat was toen nog L.H. Scholten, één van de grote mannen van het modernisme in de theologie. Diens bezielende colleges maakten grote indruk op de overgevoelige student, die zijn leermeester ook later nooit helemaal zou verloochenen. Maar Scholten kon Huet niet bijbrengen waar het in het christelijk geloof uiteindelijk op aankomt: ontvankelijkheid, bevindelijkheid, innerlijke vroomheid. Huet beschikte toen al over de eigenschap die zoveel grote schrijvers en critici eigen is: een rationalisme dat gepaard gaat met een nauwelijks te bedwingen heftigheid, een neiging zich uit te spreken, het soms zelfs uit te schreeuwen. Maar eerst werd hij predikant. Niet alleen vanwege de macht der gewoonte, al kan dat ook hebben meegespeeld. Nee – Huet kende zichzelf nog niet. Hij maakte een ontwikkeling door die door de literaire criticus W.L.M.E. van Leeuwen wel eens is omschreven als het ‘pellen van een bol’: schil voor schil naar de eigen kern.

Het ging van schil tot schil bij Huet. De uitkomst (de kern) was zijn beslissing op 13 januari 1862 at te treden als voorganger van de Waalse gemeente te Haarlem en de kerk de rug toe te keren. Maar het christelijk geloof vaarwel zeggen, is iets anders dan het loslaten. Het zijn niet alleen de Maarten ’t Harten en Jan Wolkersen van onze tijd die tot het eind van hun dagen gefascineerd blijven door het boek der boeken en de cultuur die daarom heen is geweven. Olf Praamstra heeft er in zijn voortreffelijke dissertatie over de kritieken van Huet in 1991 op gewezen dat de literatuur voor Huet de religieuze functie overnam van de godsdienst: ‘Onbekwame of luie schrijvers, slecht geschreven boeken, onverdiende en overdreven bewondering, het waren voor hem even zoveel gevallen van heiligschennis’. Die ‘heiligschennis’ pakte Huet hard aan. Met een scherpe pen viel hij in zijn eerste geschriften vooral collegatheologen en een enkele literator aan, die zich er zijns inziens met een Jantje van Leiden vanaf hadden gemaakt. Maar Bilderdijk was andere koek. Geen ‘onbekwaam of lui’ schrijver maar een fenomeen waar niemand omheen kon.

Afkeer van overschatting

Waarom viel Huet Bilderdijk aan? De afkeer van Bilderdijks poëzie is natuurlijk één reden. Het citaat waarmee dit artikel opent, spreekt boekdelen. Huet heeft nooit gehouden van bedwelmende, emotionele, uiterst subjectieve poëzie. Zelf een hoogst gevoelige, maar gesloten figuur was hij afkerig van iemand die zijn hebben en houden van de daken schreeuwde. In later jaren zou Huet Bilderdijk afzetten tegen zijn jong gestoiven vriend De Génestet. Huet gaf de voorkeur aan diens eenvoud en natuurlijkheid, die hij contrasteerde met de cerebrale poezie van Bilderdijk. Maar het was niet slechts de afkeer van de dichter Bilderdijk die hem tot zijn aanval verleidde. Ook de mens Bilderdijk zinde hem niet. Men zou Huet een voorloper van Menno ter Braak en E. du Perron kunnen noemen in zijn kritiek op zowel de ‘vorm’ als de ‘vent’. Dat was iets nieuws, iets ongehoords – althans in Nederland. In Frankrijk maakte zijn tijdgenoot Saint-Beuve naam, door zowel de man als het werk te bespreken. Huet deed het hem als een der eersten in Nederland op vlijmscherpe wijze na. De kritiek van Huet beoogde:

‘dat een schrijver juister gewaardeerd wordt naarmate men zijne werken als het produkt beschouwt van en maatschappelijken toestand, te midden waarvan hij geboren is en geleefd heeft, of voortgaat te leven’.

Maar heeft Huet Bilderdijk ‘juist gewaardeerd’? Negen afleveringen lang, tussen 14 januari en 23 juni 1860, maakte hij de kachel aan met Bilderdijk. Diens humor: ploertig. Diens ijdelheid: weerzinwekkend. Diens erotiek: boers. De kern van Huets kritiek is hierop terug te voeren: Bilderdijk weet geen maat te houden, hij slaat aan alle kanten door. Verspreid over negen afleveringen gaf Huet meer dan een literaire kritiek op Bilderdijk – hij pleegde karaktermoord. Zoveel zwaar geschut – alleen omdat hij Bilderdijks gedichten niet pruimde? Beschouwen wij nader. Huet leerde de gedichten van Bilderdijk goed kennen, omdat hij bij de uitgave van het verzameld werk was belast met de correctie van het Grieks. Huet was toen een jongmaatje. Weliswaar roemrucht predikant, maar nog naamloos in de letteren. Dat, terwijl Huet gebrand was op literaire faam. Hij moet Da Costa in die jaren goed hebben leren kennen. In 1863 zou hij getuigen van zijn sympathie voor Da Costa.

Maar hij beschreef ook de schok die het verschijnen van De mensch en de dichter Willem Bilderdijk bij hem teweegbracht: ‘Wat mij het meest tegen het boek innam was dat Bilderdijk daarin werd voorgesteld als een Messias, door het Nederland der negentiende eeuw miskend, verworpen, doorstoken, en zoo niet gekruisigd dan toch langzaam doodgehongerd.’ Ongemeen scherp, zeker voor een gewezen predikant, die de gevoeligheid van het begrip ‘kruiziging’ kende. We stuiten hier op een tweede reden waarom Huet Bilderdijk zo kraakte in 1860: hij vond hem overschat. Maar ja, dat vonden er meer. Zie Bakhuizen, zie ook Potgieter. Het verklaart niet de heftigheid van de aanval. De derde reden voor het requisitoir van Huet zou wel eens de belangrijkste kunnen zijn: jongmaatje Huet wilde uit de schaduw treden van Bilderdijk, de man die hem uitdaagde, irriteerde en met wie hij, ondanks het verschil in levensbeschouwing, het heftige temperament gemeen had.

Toegegeven: die derde reden lijkt nogal triviaal. Maar daarom nog niet verwerpelijk of minder waar. In de (literatuurgeschiedenis zijn talloze voorbeelden te bedenken van schrijvers die uit de schaduw in het grote licht willen treden en daarvoor een (vader)moord plegen. Als recent voorbeeld in de Nederlandse literatuur mag de permanente oorlog van Willem Frederik Hermans tegen Ter Braak en Du Perron gelden – het duo waarmee hij, alle verschillen ten spijt, zoveel gemeen had.

De maatstaf

De indruk dat Huet Bilderdijk ook om opportunistische redenen aanviel, wordt versterkt door Huets latere waardering voor Bilderdijk. In het jaar van de aanval, 1860, hield Huet een reeks lezingen over de 18e-eeuwse letterkunde. Daarin oordeelde hij positiever over Bilderdijk. Weliswaar bleef hij van oordeel dat Bilderdijk alleen naar Nederlandse maatstaven één van ‘den grootsten dichteren uit zijnen djd’ kon worden genoemd, maar toch… Hij had nu meer oog voor de aantrekkingskracht die de woeste rebel Bilderdijk met zijn bezwaren tegen de geest der eeuw uitoefende op na hem komende geslachten – een aantrekkingskracht die zich, hoe je het ook wendt of keert, ook tot Huet zelf uitstrekte.

In 1869 publiceerde de in zijn tijd bekende, maar inmiddels vrijwel vergeten vertolker van het Verlichtingsdenken Johannes van Vloten een bloemlezing van Bilderdijks gedichten. Hij liet die vergezeld gaan van commentaar dat Huet in het verkeerde keelgat schoot. De Spinozist Van Vloten koesterde een sterke afkeer van Bilderdijk. Huet publiceerde een drietal beschouwingen over Bilderdijk en zijn critici. Allereerst over Van Vloten, die Bilderdijk geen recht zou hebben gedaan – vreemd argument voor een man die nog géén tien jaar daarvoor de vloer had aangeveegd met dezelfde Bilderdijk. Vervolgens kreeg Van Vlotens criticus S. Gorter, (jawel, vader van de dichter) van onder uit de zak. De doopsgezinde Gorter had in een recensie van Van Vlotens uitgave kritiek geleverd op Bilderdijks christocentrisme. Huet moest inmiddels niets meer hebben van de moderne theologie. Hij nam Bilderdijks aanvallen op de ‘zeer verheven aandoeningen van het godsdienstig gemoed’ van de moderne richting in bescherming. Een typisch voorbeeld van de uitersten die elkaar raken: de vrijdenker Huet voelde zich meer verwant met de semi-orthodoxe gelovige Bilderdijk dan met de moderne richting.

Tegenover Van Vloten en Gorter stelde hij Jacob Geel. Die had in 1832 een lezing over Bilderdijk gehouden. Daarin wees hij zonder dralen op diens tekortkomingen, maar gaf Bilderdijk tevens alle eer en liet hem zelfs een gefingeerd gesprek voeren met Schiller. Dat Huet de evenwichtige kritiek van Geel waardeerde heeft velen verbaasd. Praamstra weet zich niet goed raad met de Huet van de jaren zeventig. Terecht constateert hij dat Huet zijn opvattingen over de dichter Bilderdijk nooit heeft gewijzigd. Op 12 december 1873 oordeelde Huet hog eens in het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië:

‘De werkelijk schoone en onsterfelijke verzen van Bilderdijk vullen niet meer dan één of twee boekdeelen. Het overige is onvoldragen proza, door den aan het lijm verslaafden auteur gemakshalve in dichtmaat gebragt.’

Toch laat die constatering onverlet dat Huet Bilderdijk meet waardeerde dan voorheen. Zeker, Huet bleef spottend schrijven over Bilderdijk en vooral over zijn vereerders. Maar keerde hij zich in 1860 nog fel tegen de zelfgenoegzame zeurpiet Bilderdijk, in de jaren zeventig leek hij verwantschap te voelen met de boeteprofeet, die ook zo lang het miskende genie had uitgehangen. Huets vrijwillige ballingschap in Indië zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Ook hij voelde zich in Nederland onbegrepen en miskend.

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 11 (2000) No 2 – themanummer revisie van het Réveil?