Bronnen in het Zeeuws Archief voor de kerkelijke geschiedenis van West-Indië

Zeeuwen hebben in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de gebieden aan de noordoostkust van Zuid-Amerika, de zogenaamde Wilde Kust, en in het Caribische gebied. Het eiland Tobago stond bekend als Nieuw Walcheren, en aan de rivieren Demerary, Essequlbo, Pomeroon en Berbice, in het tegenwoordige Frans en Brits Guyana, lagen ooit nederzettingen en plantages met namen als Vlissingen en Nieuw Middelburgh.

Zeeuwse kolonisten werden gelokt met belastingvoordelen en met het vooruitzicht dat men hier eenzelfde maatschappij als thuis zou aantreffen, compleet met eigen predi-kanten en kerken. In het Zeeuws Archief te Middelburg berust een aantal documenten dat een bijzonder beeld geeft van de kerkelijke geschiedenis in de twee eeuwen dat de Zeeuwen actief waren in deze regio. Rondom deze bronnen wordt in dit artikel een schets gegeven van een aantal aspecten van een merkwaardig kerkelijk leven overzee.

Zeeuwen in Zuid-Amerika

Na de ontdekkingsreizen aan het eind van de zestiende eeuw waren de Zeeuwen al vroeg van de partij in Zuid-Amerika. In 1598 en 1599 werden door de Middelburgse burgemeester Ten Haef schepen uitgerust om een graantje mee te pikken van de rijke gebieden aan de Wilde Kust. Aan de rivieren de Essequebo en de Berbice werden handelsposten gesticht waar met de Indianen ijzerwaren en textiel werden geruild tegen verf, hout, gommen en hennep. Vanaf 1616 was de handelspost aan de Essequebo permanent bemand.

Sinds 1621 werden de handel en scheepvaartactiviteiten in het Atlantisch gebied (Noord- en Zuid-Amerika, de Caribische eilanden en West-Afrika) door de West-Indische Compagnie (WIC) op gezag van de Staten-Generaal gemonopoliseerd. De Kamer Zeeland, een van de vijf vestigingen van de compagnie, had de verantwoordelijkheid voor de nederzettingen aan de Wilde Kust. Hollanders werden hier geweerd en na verloop van tijd claimden de Zeeuwen hier exclusieve rechten. De Zeeuwen onderhielden – evenals Engelsen en leren – tot 1625 kleine nederzettingen voor de verbouw van tabak. Aangezien het de WIC aan geld en middelen ontbrak om zelfstandig koloniën en factorijen te vestigingen, kregen particuliere handelshuizen toestemming om volksplantingen en nederzettingen te stichten. De Zeeuwen stichtten de koloniën Essequebo (1625) en Berbice (1627) om de handel extra te ondersteunen. Deze laatste vestiging was een onderneming van het Vlissingse handelshuis van Abraham van Peere. Hij kreeg toestemming om de kolonie te besturen.

Vanaf 1627 probeerde de WIC vaste voet in Brazilië te krijgen. De inspanningen om de Portugezen hier te onderwerpen mochten niet baten en na twee oorlogen was dit koloniale avontuur in 1649 ten einde. Nederlandse kolonisten konden daarna hun heil zoeken in de Zeeuwse koloniën of het in Noord-Amerika gelegen Nieuw Nederland en vanaf 1658 in de nieuw gestichte kolonie Nova Zeelandia aan de rivier de Pomeroon. De naburige Engelse kolonie Suriname werd na de Tweede Engelse oorlog (1665-1667) geruild voor Nieuw Nederland. Zodoende ontstond een uitgestrekte strook koloniën, die ook wel Nederlands Guiana werden genoemd. In 1674 werd een nieuw geoctrooieerde Compagnie gevormd met dezelfde rechten en invloedssfeer als de oude WIC. Pomeroon en Essequebo werden apart genoemd in het octrooi.

Nederlands Guiana was geen staatkundige eenheid, het was een geografische aanduiding. De koloniën die samen Nederlands Guiana vormden, hadden verschillende eigenaren: de WIC, meer specifiek de Kamer Zeeland, bestuurde Essequebo en Demerary, de Sociëteit van Berbice bestuurde Berbice en de Sociëteit van Suriname bestuurde Suriname. De rivier Demerary, ressorterende onder de kolonie Essequebo, werd in 1745 opengesteld voor exploitatie. In de tweede helft van de achttiende eeuw kwamen Essequebo, Demerary en Berbice tot grote bloei. Achtereenvolgens in 1791 en 1795 werden de WIC en de Sociëteit van Berbice opgeheven. Van 1795 tot 1809 werden de Nederlandse koloniën op de Guiana’s bezet door de Britten. Formeel werden ze door de Britse Kroon in bescherming genomen namens prins Willem V die naar Engeland was gevlucht. Als handelsnatie stelde Nederland in deze tijd weinig voor. De rol van Zeeland als handelsgewest was vrijwel uitgespeeld.

Personalia 

Peter Blom (1963) was in het kader van de opleiding aan de Rijksarchiefschool stagiair bij het gemeentearchief Rotterdam. Hij behaalde de propedeuse geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Achtereenvolgens was hij hoofd semi-statisch archief van het ministerie van Algemene Zaken te Den Haag en gemeentearchivaris van Veere. Thans is hij werkzaam hij bij het Zeeuws Archief in Middelburg.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 17 (2006) No 2 – themanummer religie en de Nieuwe Wereld