Bilderdijk en de patriotten

Aan zijn eed getrouw te wezen,
God en Hem-alleen, te vrezen,
Recht en onschuld voor te staan,
Toont een Prinsgezinden aan.
Maar voor dwangzucht slaafsch te bukken,
En de zwakheid te onderdrukken,
Al te vrezen buiten God,
Maakt den nieuwen Patriot.

Deze poëtische ontboezeming van Bilderdijk luidt zonder meer programmatisch. Zij werd uitgesproken tijdens het hoogtepunt van de laat-achttiende-eeuwse burgertwist, die onder ons bekend staat als de Patriottenbeweging. Patriotten, dat waren toch die vertegenwoordigers van de ontwikkelde en welgestelde burgerij tijdens de laatste stadhouders, die geen revolutie maar “grondwettig herstel” van de ingeslopen abuizen begeerden? Het ging toch immers om niets meer of minder dan “het herstel en vestiging van den Tempel der edele en aanbiddelyke Vryheid van dit ons allerwaardigste dierbaar Vaderland”? Tal van deels anonieme schrijvers van pamfletten, schotschriften, libellen, spectators en couranten scherpten hun pen om “de braave Lands ingezeten en tot die edele eindens aan te spooren.” In dit nationale orkest heeft de Heer van Teisterbant zijn partijtje behoorlijk meegeblazen.

Willem Bilderdijk, geschilderd door Charles Howard Hodges. Bron Wikimedia

Willem Bilderdijk, geschilderd door Charles Howard Hodges. Bron Wikimedia

De met dit adellijk predikaat bedoelde dichter-advocaat, de in 1756 te Amsterdam geboren Willem Bilderdijk, zou zich op ondubbelzinnige wijze schrap zetten tegen een ontwikkeling, waarvan hij in toenemende mate de geestelijke achtergronden zou peilen. Het Verlichtingsdenken zocht immers op rationale wijze naar politieke vormgeving en naar bevrijding van bepaalde, als knellend ervaren banden in kerk, staat en maatschappij. Inzonderheid de bevoorrechting van de gereformeerde religie werd, evenals de nauwe vereniging tussen kerk en staat, als het voornaamste gebrek van het ancien régime aangewezen. Niet alleen de band met, ook die tussen “Kruis en Kroon” diende te worden ontbonden.

Waarschijnlijk heeft de dissidente dichter de diepere motieven van het aanvankelijk deïstisch, naderhand meer atheïstisch revolutionaire streven meer intuïtief dan principieel doorgrond en bestreden. Zijn godsdienstige instelling droeg aanvankelijk sterk het stempel van het toonaangevend moralistisch en verstandelijk Christendom.

Zijn sterke vrijheids- en onafhankelijkheidszin en zijn gevoel voor rechtvaardigheid brachten hem aan de zijde van de misdeelden en onderdrukten. Weldra zou hij zelf ook tot die categorie behoren. In hoeverre heeft zijn hierboven geciteerde beginselverklaring aan de praktijk beantwoord? Of was deze slechts dichterlijke grootspraak?

Bilderdijk en de regentenmentaliteit

Willem Bilderdijk was, evenals zijn vader, in politiek opzicht vurig Oranjegezind. Vader Izaak Bilderdijk, in 1745 tot doctor in de medicijnen gepromoveerd, had zich oprecht verheugd in de verheffing van Willem IV. Aan de destijds optredende agitatie, die trouwens meer voortkwam uit de lagere volksklassen, had hij echter niet deelgenomen. In 1748 was immers, korte tijd na de verheffing van de prins, onder de Amsterdamse burgerij een democratisch-gezinde beweging ontstaan, welke naar de plaats van samenkomst in de Stadsdoelen de Doelistenbeweging werd genoemd.

De hierbij betrokken personen, sommigen radicaal democratisch, anderen gematigd Oranjegezind, eisten naast de afschaffing van bepaalde misbruiken, ook meer invloed van de burgerij op de samenstelling van de stadsregering. De Staten van Holland, die een oproer vreesden, hadden hierbij zelfs de stadhouder te hulp geroepen. Aangezien Vader Bilderdijk over een vrijmoedige, om niet te zeggen critische geest beschikte, werd hij door tegenstanders, overigens ten onrechte, een “Doelist” of “Achtenveertiger” genoemd. Niettemin kon zijn rechtsgevoel niet nalaten het gedrag van de stedelijke regentenregering als “willekeurig en verdrukkend voor de Burgerij” te veroordelen. Van deze regentenmentaliteit worden door zoon Bilderdijk uit eigen ervaring treffende staaltjes vermeld.

“Onlijdelijk was de hoogmoed, de onkunde, de waanwijsheid, de baldadigheid in personen, die zich zoo vele Vorsten rekenden,” zo luidt het. Mogelijk met enige overdrijving, in Bilderdijks historiebeschrijving. Welk een hoon werd stadhouder Willem V later niet door hen aangedaan! Om het minste vergrijp werd een burger voor de burgemeesters ontboden en op onheuse wijze behandeld, “waarbij het scheldwoord van kerel zeer gemeen was.” Toen een Duitse prinses aan burgemeester Trip vroeg of hij een edelman was, antwoordde hij zonder schroom: “Wij Edellieden? Wij zijn de Koningen van het Land!”

Na zijn in korte tijd volbrachte studie in de rechtsgeleerdheid te Leiden, vestigde Willem Bilderdijk zich in 1782 als praktiserend advocaat in Den Haag. Had hij in de academiestad zich reeds dichterlijke roem verworven, in de Hofstad verkreeg hij een naam als jurist en ten gevolge hiervan een drukbeklante praktijk. De Haagse periode was tevens een tijd die rijk was aan politieke processen. Ten gevolge van de tegen het einde van de Derde Engelse Oorlog ontstane partijschappen kwamen de deels aristocratische, deels democratische patriotten, bezield door “vernieuwingsdrang”, steeds scherper tegenover de stadhoudersgezinden te staan. Het regende schotschriften en pamfletten, waarin de eigenlijk niet voor zijn taak berekende stadhouder Willem V als een soort Alva of Nero werd afgeschilderd, die er behagen in zou scheppen zijn handen te wassen in burgerbloed.

Het “bolwerk der burgerlijke vrijheid”

De vrijkorpsen en excercitiegenootschappen domineerden op vele plaatsen het straatbeeld. Het gemis aan krachtige leiding bij de prinsgezinden leidde tot kleinzielige plagerijen van de zijde van de bovendrijvende partij in Holland. In 1785 namen de Staten van Holland zelfs het besluit om het dragen van oranje, het roepen van ‘Oranje boven!’ en het zingen van het Wilhelmus te verbieden. Het zijn besluiten die doen denken aan de decreten van een onderdrukkend regime in oorlogstijd. Politieke clubs en wijkvergaderingen in talrijke steden en dorpen, een oproerige pers met diverse bladen en pamfletten, een paramilitaire organisatie in de vorm van vrijkorpsen die tegen de Oranjegezinde schutterijen en dus tegen de prins waren gericht, brachten ons land aan de rand van een burgeroorlog.

Toen de stadhouder, tevens kapitein-generaal en admiraal der Unie, na een incident het bevel over het garnizoen in Den Haag werd ontnomen, vertrok hij met zijn gevolg naar Nijmegen. Dit besluit betekende feitelijk dat de zetel van de Staten-Generaal en die van de Raad van State aan de patriotten werden prijsgegeven. De toenemende vijandige gezindheid van het orangistische Haagse volk leidde weer tot represailles van de zijde van de Staten, zodat uiteindelijk de prins als bevelhebber van de troepen in Holland werd geschorst. Advocaat Bilderdijk bevond zich dus wel in het epicentrum van de steeds verder escalerende burgerstrijd.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 07 (1996) No 4