Bevindelijk gereformeerden in de negentiende eeuw: een poging tot een ‘alternatief’ overzicht

De meest algemene ontwikkeling op (protestants) kerkhistorisch gebied in het negentiende-eeuwse Nederland was misschien wel de steeds vrijzinniger oriëntatie van de predikanten in de Hervormde Kerk en het splitsingsproces dat mede hierop volgde. In de geschiedschrijving door de erfgenamen van de bevindelijk gereformeerden onder deze afgesplitsten, is vooral aandacht geweest voor het organisatorische aspect: de plaatselijke gemeenten en het tot een geheel groeien van gemeentengroepen staan dikwijls centraal. Ook wordt de continuïteit ten opzichte van het verdere verleden, de periode van de Nadere Reformatie, graag benadrukt.

Daar de twintigste-eeuwse bevindelijk gereformeerden zich ook het liefst in de traditie van de Nadere Reformatoren plaatsen, dreigt een beeld van het verleden te ontstaan waarin de continuïteit voorop staat.

De bedoeling van dit artikel is het vragen van aandacht voor een aantal verschillen in de geloofsbeleving van de bevindelijk gereformeerden in de achttiende, de negentiende en de twintigste eeuw. Mijns inziens had de negentiende eeuw namelijk op de lange termijn gezien, heel sterk het karakter van een overgangsperiode als het gaat om de geloofsbeleving van de bevindelijk gereformeerden. Kerkhistorisch gezien waren voor hen twee ontwikkelingen van groot belang: een afnemende waardering van de vrije werking van de Geest en de verbreking van de band tussen het kerkvolk en de theologisch onderrichte predikanten.

Twee algemeen historische omstandigheden speelden ook een rol. Anders dan in de twintigste eeuw, waren de bevindelijk gereformeerden nog grotendeels onderhevig aan de ongewisheid van het leven: snelle verandering van levensomstandigheden, ja tot bittere armoede toe, behoorde tot de reële mogelijkheden. Een andere strikt ‘historische’ randvoorwaarde voor hun geloofsbeleving was het langzaam toenemende contact tussen aanzienlijk verschillende plaatselijke gemeenschappen. Dit proces startte op verschillende momenten in verschillende regio’s en werd pas ver in de twintigste eeuw voltooid. Juist doordat de bevindelijken niet meer bereikbaar waren voor de inmiddels steeds nationaler opererende predikanten, kon een eigen religieuze subcultuur ontstaan. Deze vier factoren tezamen zorgen voor het overgangskarakter van de negentiende eeuw in de geschiedenis van het bevindelijk gereformeerd geloven in Nederland. De eind twintigste-eeuwse situatie in de (Oud-) Gereformeerde Gemeenten en geestverwante groepen kan zonder een verstaan van deze eerdere, complexe overgang niet ten volle begrepen worden.

Homogenisering in de voorstelling van de heilsorde

Kerkhistorici F.A. van Lieburg en C. Graafland hebben eerder op deze overgang gewezen. Zij spreken over een systematisering van de bevindelijkheid, een ‘versmalling’ van het heil. Het bekeringsproces zoals die in bevindelijke kring beschreven wordt, gaat in de loop van de negentiende eeuw steeds langer duren: meer stadia moeten in een steeds striktere volgorde (‘model’) beleefd worden. Een hoge mate van geloofszekerheid wordt steeds normatiever en binnen de gemeenten worden de ‘ware’ gelovigen steeds meer een aparte categorie. Verder vermoeden zij – de gegevens zijn schaars – dat de vroomheid zelf van de bevindelijken niet sterk afgeweken moet zijn, van die in de eeuw ervoor en erna. Graafland benoemt haar als ‘de geloofskern van de gereformeerde traditie’ – waarbij we moeten denken aan de beleving van ellende, verlossing en dankbaarheid in relatie tot Christus zoals die in de twintigste eeuw ook voorkomt onder minder bevindelijke orthodoxe gereformeerden. Van Lieburg en Graafland zijn van mening dat de schematisering die zij constateren in de negentiende eeuw het gevolg is van het veelvuldig teruggrijpen op ‘overjarig koren’, de geschriften van de Nadere Reformatie. De bevindelijken grepen er algemeen op terug bij gebrek aan theologisch geschoolden in de eigen traditie, die hen van een passend antwoord op de noden en vragen van de tijd hadden kunnen voorzien. Dat was een vorm van ‘overplanting’ die volgens Van Lieburg minder gewenste gevolgen had: het kerkvolk ging aan de haal met noties rondom de heilsorde die in feite thuishoorden in de studeerkamer van de theologen. Zo ontstond als een soort ‘gezonken cultuurgoed’ een ‘bevindelijke scholastiek’. Daaraan werd bijgedragen door de sinds de achttiende eeuw sterk veranderde gemeentestructuur. Onder-delen van het conventikel werden opgenomen in “een ambtelijke, kerkordelijke en liturgische sfeer (…) maar dan wel buiten de Hervormde kerk.” Wanneer preken van oude schrijvers gelezen werden, was er immers sprake van een oneigenlijke situatie. De schildering van de cesuur tussen bekeerden en ongelovigen was gebaseerd op de voornegentiende-eeuwse situatie met soms grote groepen onverschilligen en openbare zondaars in de kerk. De kenmerkenprediking van de oude schrijvers paste dus niet helemaal bij het meer homogene, vromere gedragspatroon in de gescheiden kerken.

Relatief homogeen gedragspatroon

Dit homogenere gedragspatroon ontstond mede doordat de eind-achttiende-eeuwse kloof tussen de universitair geschoolde predikant uit de burgerstand en de gemeenteleden in de nieuw gestichte gemeenten afwezig was. Een andere factor was dat aanvankelijk veel bekeerden tot de gemeenten toetraden, zodat ook losjes levende onverschilligen, die de volkskerk nog wel kende, niet meer aangetroffen werden. Soms namen de gemeenteleden gezamenlijk een soberder vorm van kleden aan, bijvoorbeeld onder invloed van Budding, Ledeboer of Sterkenburg, een vorm van maatschappijkritiek die we ook tegenkomen bij de achttiende-eeuwse opwekkingsbewegingen in Engeland. De strengste volgelingen van Wesley gingen in het zwart of donkerblauw gekleed.

Maar pas in de twintigste eeuw begonnen kerkenraden onder invloed van nu ook in deze kringen weer functionerende predikanten uit andere standen en andere regio’s de plaatselijk geldende normen te stroomlijnen. Dit ‘beschavingsoffensief’ was dus niet relevant voor bevindelijk gereformeerden in de negentiende eeuw, in tegenstelling tot de situatie in confessionele of Dolerende kring aan het eind van de eeuw. De negentiende eeuw kenmerkte zich dus door een zowel van de achttiende- als van de twintigste-eeuwse situatie afwijkende relatieve homogeniteit in het gedragspatroon van de gemeenteleden: een ‘bovenlaag’ ontbrak in vele gevallen.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 08 (1997) No 3